9. Het Lijden in Geboorte en Sterven


Wat is indachtigheid van het lijden in geboorte en sterven? Sinds verre kalpa's in het verleden zijn levende wezens en ik altijd verwikkeld geweest in geboorte en sterven en hebben geen bevrijding verkregen. Ofwel onder mensen of in de hemelen, in deze wereld of een andere, we zijn ontelbare keren gestegen en gedaald. We stijgen of dalen in een ogenblik - plotseling een god, plotseling een mens, plotseling een dier, een hongerige geest of een bewoner van de hellen.

We verlaten de zwarte poort in de ochtend maar keren s'avonds terug. We klimmen voor een korte tijd uit de put van ijzer maar vallen er dan weer terug in. Terwijl we de berg van messen beklimmen worden onze lichamen gesneden totdat er geen enkel stukje vlees overblijft. Bij het beklimmen van de boom van zwaarden worden onze harten opengesneden. Het hete ijzer stilt onze honger niet; bij het doorslikken worden de lever en ingewanden verbrand. Het brouwsel van kokend koper lest onze dorst niet; bij het drinken wordt het vlees en de botten opgelost. Scherpen zagen zagen het lichaam aan stukken; eenmaal in stukken komt het weer samen. Slimme winden blaast het lichaam; het sterft maar keert weer snel terug tot leven. In de stad van razend vuur, ondergaan we de geluiden van bloedstollende kreten en gejammer. In de pot van kokend olie horen we enkel geschreeuw van ondragelijke pijn. Het lichaam begint te bevriezen en te verharden en lijkt op een blauwe lotusbloem die een knop vormt. Dan breekt het vlees en de adders open zodat het lichaam op een rode lotusbloem in bloei lijkt.

In een enkele nacht ondergaan de bewoners van de hellen tienduizend geboortes en sterfgevallen. In een enkele ochtend zijn de ellenden in de hellen wat een mens zou ondergaan gedurende een honderd jaar. De gekwelde opzichters van de hellen raken uitgeput. Wie geloofd dat Koning Yama ons deze waarschuwing niet aan het onderwijzen is? Maar toch alleen wanneer we werkelijk lijden aan het ervaren zijn weten we hoe bitter het is, maar onze spijt komt te laat. Eenmaal vrij vergeten we het weer en creeren hetzelfde karma als voorheen. We slaan de ezel totdat het bloed; wie kan weten dat het onze moeder is in angst? We leiden het varken naar het blok om geslacht te worden; wie kan weten dat het onze vader is in doodsangst? We eten onze eigen zonen op zonder het te beseffen, net als Koning Wen. En we slokken onze eigen familieleden op zonder ze te herkennen. Dit is de gewoonte van alle gewone mensen.

De geliefden van weleer zijn nu gezworen vijanden. Rivalen van het verleden zijn nu onze bloedverwante familieleden. Onze moeders van vorige levens zijn nu onze vrouwen van het heden. Onze schoonvaders van het verleden zijn nu onze echtgenoten. Diegene met de kennis van vorige levens herkennen deze veranderingen; zij voelen schaamte en verlegenheid. Diegene met het Hemelse Oog zien deze situaties; zij vinden hen lachwekkend en zielig.

Tussen uitwerpselen en viezigheid gaan we door negen moeilijke maanden. We komen uit het pad van pus en bloed in een meelijwekkende toestand. Wanneer we jong zijn weten we niets en kunnen oost en west niet van elkaar onderscheiden. Als volwassenen worden we ons meer bewust maar onze hebzucht en verlangens komen opzetten. In een ogenblik overrompelt ouderdom en ziekte ons; plotseling arriveert de dood. Tussen het gieren van wind en vuur wordt onze ziel verward; onze essentie en bloed zijn uitgeput. Ons vlees en huid vergaat en droogt op. We voelen alsof ijzeren naalden al onze porien doorboren en alsof messen als onze openingen steken.

Wanneer de ziel het lichaam verlaat voel het meer pijn dan een levende schilpad waarvan de schaal wordt afgerukt voordat het in de pot wordt gesmeten. Het bewustzijn heeft geen vast doel. Het flitst haastig van hier naar daar als een reizende koopman. Onze lichamen hebben geen vaste vorm. We verwisselen hen constant alsof we van kamer naar kamer verhuizen in een huis. We hebben meer lichamen gehad en verloren dan er stofkorrels in een biljoen werelden zijn. We hebben meer tranen gelaten bij heengaan dan al het water in de dieptes van de vier zeeen. De stapels van botten rijzen hoger dan bergtoppen. De bergen van lijken zijn groter dan de aarde.

Als de Boeddha hier niet over gesproken had, wie zou deze dingen dan kunnen herkennen of zich dat zelfs hebben kunnen voorstellen? Als we de Boeddha zijn Soetra's niet lezen, hoe kunnen we dan deze waarheden weten en ons ervan bewust zijn? Als we onze begeerte voor liefde en plezier voortzetten zullen we voor altijd onnozel en verward blijven.

De ernstige bezorgdheid is dan dat een fout geleid heeft tot een volgende voor tienduizend kalpa's gedurende duizenden levens. Een menselijk lichaam is moeilijk te verkrijgen en makkelijk te verliezen. Goede tijden gaan snel voorbij en kunnen niet terug gebracht worden. De weg is donker en somber, en scheidingen duren een lange tijd. Ik moet in mijn eentje slechte vergelding in de Drie Paden ondergaan. De pijn is afschuwelijk; wie zou mijn plaats innemen? Zelfs het bespreken van dit onderwerp bevriest mijn hart.

We moeten daarom de stroom van geboorte en sterven stoppen, ontsnap uit de oceaan van liefde en verlangen, red onszelf en red anderen, en bereik gezamenlijk de andere oever. Van alle dingen vanaf het begin der tijden tot het heden is dit de meest uitzonderlijke prestatie, maar toch hoeft iemand slechts te beginnen.

Dit is de zesde reden en voorwaarde voor het voortbrengen van de aspiratie voor het verwezenlijken van Bodhi.