8. De Vriendelijkheid van Levende Wezens


Wat is indachtigheid van de vriendelijkheid van levende wezens? Tijdens leven na leven vanaf lang verstreken kalpa's ben ik en ieder ander levend wezen elkaars vader en moeder geweest. We zijn goed voor elkaar geweest. Ook al heeft het verstrijken van tijd ons nu gescheiden en in onze verwardheid herkennen we elkaar niet meer, het is enkel logisch dat we hen terugbetalen voor hun moeite. Hoe kunnen we weten of dat we gedurende vorige levens zonen waren van degene die nu vacht en hoorns dragen? Hoe kunnen we weten of dat degene die nu over de vloer kruipen en in de lucht vliegen niet onze vaders waren gedurende vorige levens?

Onze ouders waakte onafgebroken over ons maar we verlieten hen toen we jong waren; we zijn opgegroeid en zijn hun gezichten vergeten. Hoeveel minder herinneren we onze families en vrienden van vorige leven, en nu is het moeilijk om ons te herinneren of we eens Smith of Jones hebben geheten. Terwijl onze voorouders in de hellen huilen en schreeuwen of continue als hongerige geesten worden herboren, wie is zich bewust van hun lijden en pijn? Ze vergaan van de honger; wie hoort hun smeekbede? Ik kan hun niet zien of horen maar ze moeten naar redding en bevrijding aan het zoeken zijn. De Soetra's verhelderen deze situatie met uitzonderlijke helderheid. Enkel de Boeddha kan deze woorden gesproken hebben. Hoe kunnen mensen met onjuiste zienswijzen zich hiervan bewust zijn?

Om deze redenen zien Bodhisattva's, dat zelfs maden en mieren hun ouders waren in vorige levens en de potentie hebben om in de toekomst Boeddha's te worden. Ze bedenken altijd manieren om hen te helpen en herinneren om hun vriendelijkheid terug te betalen.

Dit is de vijfde reden en voorwaarde voor het voortbrengen van de aspiratie voor het verwezenlijken van Bodhi.